Inteelt bij dieren

Inteelt bij dieren, veel mensen hebben het er over en hebben er een sterke mening over. Maar wat is het nou eigenlijk? En waarom is het vaak schadelijk? Kan het ook positief werken?

In dit artikel zal ik alle aspecten van inteelt belichten en de vragen beantwoorden.

Definitie van inteelt

Inteelt is het laten paren van twee dieren die familie van elkaar zijn. De jongen die daaruit voortkomen zijn ingeteelt. Je hebt hele zware inteelt en lichtere vormen van inteelt. De zwaarte vorm is broer en zus, dochter en vader en zoon en moeder. Deze dieren zijn namelijk maximaal verwant aan elkaar (ze hebben 50% van de genen gemeen). De lichtere vormen van inteelt zijn neef en nicht en andere minder nauw verwantte dieren die onderling gekruist worden. Als twee dieren (bijvoorbeeld broer en zus) die zelf al geboren zijn uit inteelt ook weer met elkaar gekruist worden, is het inteelteffect nog groter.

Effecten van inteelt

Als een dier het product is van inteelt, kan hij soms rare eigenschappen vertonen. Bijvoorbeeld een andere kleur, misvormingen, kleinere lichaamsgrootte, zwakte, gedragsstoornissen en hoge vatbaarheid voor ziektes. Dit hoeft absoluut niet zo te zijn, maar het kan gebeuren. Hoe dit kan gebeuren kan je lezen in het volgende stukje over de oorzaak van deze inteelteffecten.

Plaatje van een paar homologe chromosomen. Elke kleur stelt een gen voor. Het oranje allel is een allel voor een bruine vacht en het gele allel voor een zwarte vacht.

Oorzaak van de inteelteffecten

Om uit te leggen wat de effecten van inteelt veroorzaakt, moeten we in de genetica duiken.

Elk dier heeft chromosomen in zijn cellen, en op die chromosomen ligt het DNA. Hier staat de erfelijke informatie van het dier op. In dat DNA staan de genen van het dier, op elk chromosoom zitten wel duizenden genen. Als je kijkt naar het gen voor oogkleur, kunnen daar weer verschillende allelen op bestaan.  Op dat gen voor oogkleur kan per chromosoom één allel zitten, bijvoorbeeld het allel voor blauwe ogen of het allel voor bruine ogen.  Van elk chromosoom heb je twee zogenaamde homologe chromosomen. Dit zijn chromosomen die hetzelfde zijn wat betreft de genen die erop liggen, maar ze verschillen wat betreft de allelen. Elk individu heeft dus twee allelen per eigenschap in zijn DNA.
De homologe chromosomen zijn afkomstig van de ouders van het dier. Eén chromosoom van het homologe paar komt van de moeder en één van de vader. Omdat de ouders zelf twee van elk chromosoom hebben en ze maar één doorgeven, moet er dus gekozen worden welke van de twee chromosomen wordt doorgegeven en welke niet. Die keuze is volledig willekeurig, in de ene eicel (of zaadcel) komt het ene chromosoom, in de andere eicel misschien wel weer een andere. Omdat er heel veel chromosomen zijn, zal zowat elke eicel of zaadsel een unieke combinatie van chromosomen hebben. Bij het samensmelten van een eicel en een zaadcel tijdens de bevruchting ontstaat er een individu met een hele nieuwe combinatie van chromosomen en dus van allelen.

Bij inteelt worden die combinaties echter minder uniek, omdat er simpelweg minder verschillende chromosomen bij de ouderdieren aanwezig waren. Deze ouderdieren zijn bij inteelt namelijk familie van elkaar, en hebben dus vaak dezelfde chromosomen van hun ouders gekregen. Een jong heeft de helft van zijn chromosomen van zijn moeder gekregen, dus de helft van zijn chromosomen zijn dezelfde als de moeder heeft. Uit een kruising tussen moeder en zoon zullen dan ook jongen komen waarvan 25% van de chromosomenparen bestaan uit dezelfde chromosomen. Dus 25% van de homologe chromosomenparen bestaan uit twee exact dezelfde chromosomen.

Inteelteffect bij een recessieve mutatie. Hier is het gele allel een allel met een mutatie, die een effect laat zien in het donkergroene vakje.

Op zichzelf is hier nog niks mis mee, behalve als er slechte allelen op een gen aanwezig zijn. Dit kunnen bijvoorbeeld kapotte allelen zijn, dat zijn allelen die een mutatie hebben ondergaan waardoor ze hun functie niet meer kunnen uitvoeren. Als voorbeeld kan je denken aan een allel die ervoor zorgt dat je pigment in je huid maakt. Als het allel dat codeerd voor de aanmaak van pigment een mutatie ondergaat, kan er een ander soort pigment ontstaan of zelfs helemaal geen pigmentvorming meer. De meeste mutaties zijn recessief. Dat betekend dat je ze pas tot uiting ziet komen als er geen andere allel op hetzelfde gen op het homologe chromosoom zit.

Dat is nou net wat er gebeurd bij inteelt: de homologe chromosomen zijn hetzelfde, en bevatten dus ook dezelfde mutatie. Nu het niet-gemuteerde allel niet meer voorkomt in dit individu, heeft hij alleen het gemuteerde allel. Dit allel komt dan ook tot uiting. Zoals bij het voorbeeld van het allel voor pigmentvorming in de huid, kan er opeens een individu ontstaan die geen pigment meer maakt. Een albino is geboren!

Is dit goed of slecht?

Of dit goed of slecht is, is weer een heel ander verhaal. Sommige mensen vinden het leuk om een albino muis als huisdier te hebben. Dan is het dus leuk en goed dat de mutatie tot uiting is gekomen. Zo’n recessieve mutatie kan alleen maar door inteelt tot uiting komen. Bij een nieuw ontstane mutatie is inteelt altijd nodig om het nieuwe recessieve uiterlijk te verkrijgen. Als de mutatie immers bij dier A is ontstaan, zullen alleen de nakomelingen van dier A ook dat allel kunnen krijgen. Om dan twee van die mutatieallelen in één individu te krijgen  moeten de nakomelingen onderling gekruist worden of teruggekruist worden met dier A.

Als we bij het voorbeeld van albino blijven, kan het ook slecht zijn dat door inteelt de mutatie tot uiting is gekomen. Een albino heeft bijvoorbeeld meer last van zonlicht in de ogen, en bij mensen verbrandden albino mensen heel snel in de zon. De mutatie is dus slecht voor de gezondheid van diegene die hem heeft. Een mutatie in stand houden is altijd een afweging tussen mogelijke nadelen en de voordelen van die mutatie.

Er zijn miljoenen soorten mutaties te bedenken, elke eigenschap kan muteren tot net een andere eigenschap. Soms is de eigenschap verbeterd door de mutatie, maar soms ook niet. Vaak is het zo dat een mutatie nadelige effecten heeft op een dier. De oude variant van het allel was immers al veel gebruikt en getest in heel veel dieren van het soort, die werkte goed. Een nieuwe mutatie is vaak een allel die kapot is gegaan, er is dus een loss-of-function (verlies van functie van dat allel). Over het algemeen is het niet goed om de functie van een allel te verliezen, want dat allel is juist in de soort gekomen door steeds het beste dier te selecteren. Als een diersoort vanuit het wild naar gevangenschap gaat, zijn veel mutaties die in het wild schadelijk waren nu opeens wél goed. Bijvoorbeeld het ontstaan van bijzondere, opvallende kleuren (in plaats van schutkleuren), het verdwijnen van angst voor mensen en van jaaggedrag of een andere voedselvoorkeur. Veel dieren die in gevangenschap leven hebben daarom veel mutaties en verschillen daardoor van de soortgenoten in het wild. Veel mensen selecteren expres op bepaalde mutaties, zoals op kleur, grootte en tamheid.

Selectie

Als je inteelt bij dieren wilt toepassen om bepaalde mutaties te verspreiden of geuit te zien in je dieren, is het heel verstandig om selectie toe te passen. Ik wil zelfs zo ver gaan dat het een absolute noodzaak is om selectie toe te passen.

Selectie (of kunstmatige selectie, dus selectie door de mens) betekend het zorgvuldig uitzoeken van ouderdieren om mee te fokken. Veel dieren worden daarbij uitgesloten van de fok. Zij worden gecastreerd of gesteriliseerd of gewoon gebruikt als leuk huisdier. De fokdieren moeten van goede gezondheid zijn en de goede eigenschappen vertonen. Dat betekend dus dat ze gezond zijn, niet vroegtijdig overlijden en voldoen aan de door de fokker gestelde eisen aan bouw, kleur en gedrag. De nakomelingen of broers en zussen moeten ook gezond zijn.
De slechte mutaties die voorkomen in het diersoort moeten namelijk niet tot uiting komen en uiteindelijk volledig uit de populatie verwijderd worden. Door niet te fokken met de dieren die de slechte mutaties bij zich dragen, zullen die mutaties uit de groep verdwijnen.

Wat helaas een tekortkoming is van selectie, is dat je soms niet aan de buitenkant van een dier kan zien welke genetische problemen hij heeft. Sommige eigenschappen komen pas laat tot uiting, of alleen onder bepaalde omstandigheden. Hierdoor kan de selectie niet altijd effectief plaatsvinden. Ook kan de selectie voor één gen per ongeluk veroorzaken dat een ander gen ook meegeselecteerd wordt. Meer over selectie kan je binnenkort in een ander artikel lezen.

Verlies van diversiteit

Door inteelt kan een diersoort ook genetische diversiteit verliezen. Het aantal verschillende allelen in de soort neemt dan af, waardoor de dieren meer en meer op elkaar gaan lijken. Dit kan nadelig zijn voor het soort als een allel die goed functioneerde per ongeluk geheel verdwijnt omdat het volledig vervangen is door een ander allel. Met genen voor kleur en vachtstructuur zal dit niet snel gebeuren, omdat deze genen zichtbaar zijn in de ouderdieren en mensen er dus op kunnen selecteren. Maar allelen die niet zichtbaar zijn kunnen er ongeluk verdwijnen doordat ze vervangen worden door een ander allel.
Verlies aan diversiteit is niet per sé slecht, behalve als minder optimale allelen in het grootste deel van de dieren van het soort zitten. Daar worden de dieren van het soort minder sterk van. Ook hierbij kan selectie uitkomst bieden, door de dieren die slecht presteren niet te gebruiken voor de fok. Alleen doordat het niet altijd te zien is welke allelen een dier heeft, is een goede manier om diversiteit te houden niet te kiezen voor inteelt in welke vorm dan ook.